“Eh, de kizzigheid druipt eraf” zei ik gisteren over een kandidaat tijdens het kijken naar een Tv-programma. Het West-Vlaams is toch een zalig taaltje. Toch gebruiken we hier in huis ook nog eens een eigen taal voor de dingen. Een paar uitspraken die anderen niet kunnen begrijpen omdat ze niet met ons samenleven. Daar zijn:
- “de mustiekat” (–> onze zoon),
- “noop” (–> dikwijls voorafgaand van “smit mor up” en daarmee bedoelen we de berg papieren op mijn bureau),
- ” ’n tjakker” (–> het geluid dat de elektriciteitskast maakt als hij overgaat naar het nachttarief),
- “gif ze e potje” (–> geef Marbel een potje natte stinkende voeding. Even later hoor je de sukkelaar die het moet doen kokhalzen van de geur),
- “kzin hele vermoefteld” (–> mijn haar is in de war en mijn kleren zitten precies niet goed, nadat je door de sneeuw ploetert om de kippen eten te gaan geven ofzo…)
- “shnuggletime!” (–> pak me nu vast, ik heb een knuffel nodig!)
- “ja mannegjes” (–> afhankelijk van het volume van deze uitspraak is duidelijk wat er in de pamper van de mustiekat te rapen valt)
En dan zijn wij verwonderd dat sommige mensen raar kijken als ze ons bezig horen tegen elkaar….
Oei en ’t West-Vlaams is soms al zo onverstaanbaar genoeg…
andere dialecten zijn ook moeilijk te verstaan vrees ik
mustiekat 😀 Goe gevonden!