Growing cirkels
“Wij geloven niet in Jezus hé?” Onze kinderen gaan naar een katholieke school en krijgen dus godsdienst. Ze zijn echter beiden niet gedoopt omdat wij niet geloven. Ik heb me niet zo heel erg veel voor die keuze moeten verantwoorden, vooral omdat ik meestal counter met “Waarom dopen jullie de kinderen wel?”. Onze kinderen weten ook – als ze echt graag gedoopt willen worden – dat ze dit kunnen laten doen in het zesde leerjaar als ze dat willen. We stellen kritische vragen maar laten ook veel zaken open. Ilja is er echter heel nuchter in en volgt momenteel onze redenering al besef ik wel dat het heel wat vraagt van een achtjarige jongen om tegen zijn ouders in te gaan. Het gesprek hierover is echter nooit afgerond en laat dat nu juist de bedoeling zijn.
Als we het er ooit over hebben in gesprekken met vrienden dan hoor ik wel heel regelmatig het volgende terugkeren: “Ik geloof niet in God, maar ik geloof wel dat er ièts is”. Ik ga niet in discussie met mensen over hun geloof. Ik ken mensen die gelovig zijn, ik ken atheïsten, zolang mensen zich goed voelen bij die overtuiging, wie ben ik om dat te gaan tegenspreken? Die verhalen vind ik ook interessant om te horen, waarin geloven mensen dan juist en hoe vormt zich dat in hun gedachten en uiteindelijk in hun acties?
Zelf heb ik me daar lange tijd geen uitgesproken gedachten over kunnen vormen, gewoon omdat ik er niet uit was. Er was niet echt ièts waarin ik geloofde maar wat was het dan wel juist dat ik voelde? De laatste tijd (is het doordat ik meer mijn gedachten neerschrijf?) kan ik het precies beter verwoorden. Althans, in mijn eigen hoofd dan.
De basis van mijn geloof ligt bij mezelf. Ik geloof in mezelf. Ik geloof erin dat ik een goed persoon ben en dat dit zal nazinderen na mijn dood. Ik ga niet naar de hemel. Ik ga niet reïncarneren. Ik wil graag verder leven in de mensen die mij gekend hebben. Deze gedachte ondersteunt de reden waarom ik vandaag graag een goed persoon ben. Waarom dit voor mij in mijn leven waardevol is. Ik wil dat mijn kinderen (eventuele kleinkinderen) later kunnen terugblikken op mij en kunnen zeggen “dat heb ik van mijn (groot)moeder”. Ik wil dat mijn vrienden en familie over mij mijmeren en kunnen zeggen van: “Ze was een goed persoon”. Ik word intriest als ik verhalen hoor met als beginzin: “Over de doden niets dan goeds, maar….”, ik mag er niet aan denken dat mijn naam daar later in zal volgen.
Ik zag het vandaag voor me in de kringen die het water kan maken als je er een steen in gooit. Als je in een vijver cirkels creëert samen met andere mensen dan raken die kringen elkaar op een gegeven moment. De cirkels veranderen het wateroppervlak en het duurt een hele tijd voor het water weer stil is. De cirkels die we zelf veroorzaken kunnen klein zijn, maar ze kunnen zich ook wijd uitspreiden, de hele vijver kan erdoor daveren. Als anderen hun steen gooien dan vermengen de cirkels. We kunnen kiezen om kleine steentjes te gooien en de cirkels minimaal te houden. Soms smijten we zware takken en spatten er heel dikke druppels omhoog. Er zijn dagen dat we de cirkels van anderen verdringen door de kracht van die van ons. Soms regent het op onze cirkels waardoor ze er gestippeld gaan uit zien. We zullen niet verder leven in anderen door de zwaarte van de steen die we gooien. Door de grootte van de tak die we in het water zwieren of door de kracht die we nodig hadden om het wateroppervlak wild of juist stil te maken. Sommige mensen zullen meer kringen maken dan anderen. Sommige mensen gaan nooit in jouw water cirkelen. Maar in mijn ogen leven we verder in anderen door het feit dat onze cirkels ooit die van hun geraakt hebben.




























