De consequentiefase
Als er nu één eigenschap is die ik mezelf niet toeschrijf dan is het wel koppigheid. Ik blijf geen dagen kwaad, ik blijf niet pertinent “neen” zeggen als ik mijn gedacht niet krijg. Mijn peuterpuber daarentegen kan er ferm weg mee. Het heet dan ook niet voor niets “de koppigheidsfase”, hey, sommige dingen zijn wel heel duidelijk en rechtdoor in hun benaming. Omdat hij gisteren quasi niets at wil ik dat hij vandaag een boterham eet bij zijn ontbijt. Hij is echter alleen geïnteresseerd in spelen met de doos nieuwe auto’s die hij van een lieve vriendin doorkreeg. Compromis: “Je eet eerst een boterham, en dan mag je spelen met je nieuwe auto’s”. Wenen, pantomime, roepen, met de handjes kloppen op de billen, op en neer springen, op zijn hollands roepen “nej nej nej”, de boterhammen vliegen meermaals naar het midden van de tafel. Het lijkt geen effect te hebben, daarop neem ik de doos nieuwe auto’s en zet ze in de garage, iets wat nog meer getier en gebrul veroorzaakt. De boterhammen laat ik liggen op de tafel en de boodschap is duidelijk: eerst boterhammen, dan spelen. . . Het monstertje beslist om van tafel te gaan en met zijn “oud” speelgoed te gaan spelen. Soms komt hij vragen om de nieuwe auto’s, en de blauwe brommer. Ik toon hem de boterhammen en zeg dat hij pas mag spelen met de nieuwe auto’s als de boterhammen op zijn. Wat een hele fijne ochtend kon zijn met nieuwe auto’s ontdekken verandert in een ochtend met wenen, jammeren, roepen. Kortom. . . fantastisch. Consequent zijn is altijd de saaiste oplossing. Ondertussen blijft hij koppig neen zeggen en blijven de auto’s in onze garage staan, is de sfeer onder nul en is mijn humeur verpest. Hij is wel zijn oud speelgoed aan het herontdekken. Soms vraag ik me echt af wat het allemaal oplevert, dat strijden, die ruzie’s. Ik wil de boevrouw niet spelen maar tegelijk wil ik graag dat hij iets eet. Ik wil in mijn vrije voormiddag een leuke tijd met mijn zoon maar zo’n situaties zijn absoluut een dieptepunt. Als het wenen mij nader staat dan het lachen komt hij ineens in de keuken bij me “stuutje eten?”. We gaan aan tafel, ik bied hem de boterham aan, hij eet die op tot de laatste kruimel. “Nog een stuutje?” vraagt hij. Hij eet nog een beetje van een tweede boterham. Ik triomfeer niet, ik ben alleen blij dat hij iets eet. En dat hij zijn nieuwe auto’s kan ontdekken. . .











